Let bij de montage op de juiste kettingspanning en de stand van het kettingslot (gesloten deel van de borgveer in de draairichting van de ketting).
Het controleren van de kettingspanning moet bij een normaal belast voertuig plaatsvinden. De ketting mag niet te slap staan, maar ook niet te strak gespannen zijn. Hij moet in het midden tussen de tandwielen gemakkelijk 10 tot 15 mm op en neer te bewegen zijn. Let er bij het spannen van de ketting (hierbij wielasmoer losdraaien) op dat de kettingspanners aan beide zijden gelijkmatig aangedraaid worden, zodat het achterwiel precies spoort.
Niet vergeten de eventuele contramoeren en ook de wielasmoet vast te draaien.